Achtergrond

Met videocollege naar een andere onderwijswereld

Videocollege/ Ivo Jongsma
Foto’s/ Bart van Overbeeke
Grafiek/ Jeannette Bos


Opnames voor videocollege in zaal 7 van het Auditorium.

Videocollege is het proefstadium ruimschoots voorbij aan de TU/e. Afgelopen zomer investeerde de universiteit een kleine twee ton in apparatuur waardoor nu in drie zalen van het Auditorium de colleges in beeld en geluid kunnen worden vastgelegd. De beeldbank van videocollege, inmiddels 35 collegereeksen groot, trok afgelopen tentamenweken zo’n vijfhonderd bezoekers per dag. Een succes, dat zich snel verspreidt. Opleidingsdirecteur Informatica prof.dr.ir. Jan Friso Groote, ziet er zelfs de ingrediënten in voor een revolutie in onderwijsland.

Een lege collegezaal. Dat is het schrikbeeld dat menig docent had bij het idee dat zijn of haar college via internet te bekijken zou zijn. Maar die koudwatervrees trekt langzaam weg, merkt projectleider ir. Michiel Schok. Want uit de vorig jaar opgedane ervaring blijkt dat het collegebezoek niet of nauwelijks terugloopt bij de opgenomen colleges, vertelt Schok. Bovendien is het zeker geen doel van videocollege om afwezigheid bij colleges te bevorderen. Contact met de docent en de mogelijkheid om vragen te stellen blijft volgens hem onontbeerlijk. Alleen kun je nu thuis op je gemak nog eens bekijken wat het antwoord op die vragen was. De teller van het aantal ‘views’ staat, tellend vanaf het begin van dit collegejaar, op ruim dertigduizend.
Videocollege is niet alleen een naslagwerk, er zijn meer mogelijkheden. Het kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor vakken die een onderdeel zijn van meerdere opleidingstrajecten. Dit soort vakken is vaak moeilijk goed in te roosteren voor al die trajecten. Studenten die er niet bij kunnen zijn, kunnen met videocollege thuis kijken. Een ander praktijkvoorbeeld: het vak Windenergie is hier dit najaar gedoceerd. En vanaf deze week geeft de docent het vak ook in Twente. De studenten daar bekijken de videocolleges die hier gemaakt zijn, en de docent gaat een paar keer naar Twente om vragen te beantwoorden, in plaats van alle colleges opnieuw te geven. “Je krijgt zo een andere mix van onderwijs”, aldus Schok.
Vorig jaar was een soort testjaar voor videocollege. Schok legde in dat jaar met behulp van een enkele losse camera en drie studentassistenten zeventien collegereeksen vast. Afgelopen voorjaar maakte hij een plan voor opschaling, waar hij in juni groen licht voor kreeg. Een kleine tweehonderdduizend euro gaf hij afgelopen zomer uit, vooral aan vaste camera’s, recorders en servers. Zaal 7 en zaal 16 van het Auditorium hebben nu vaste apparatuur, en er is een mobiele set die in elke zaal ingezet kan worden. “We hoeven nu niet meer op te bouwen en af te breken. In zaal 7 en 16 is het binnenlopen en draaien”, vertelt Schok. Ook een nieuwe optie: het aftappen van het signaal van de beamer. Vorig jaar konden bij videocollege alleen Powerpoint-presentaties meegeplaatst worden op internet. Nu is alles wat via de beamer gaat ook te zien via videocollege. “Dat we alleen Powerpoint-presentaties konden laten zien, was een grotere beperking dan dat het feit dat we maar één camera hadden. Nu kunnen we ook Excel-Sheets of plaatjes uit SPSS laten zien.” Bij de uitbreiding hoort ook een uitbreiding van het personeel. Schok werkt nu met een pool van twaalf studentassistenten om de colleges vanuit de zaal op internet te krijgen. Ondanks de ogenschijnlijk grote personeelsuitbreiding, gaat het werk nu een stuk efficiënter. “In de oude setup kostte het ons drie uur tijd om één uur college online te zetten. Nu werken we één op één.” Deze pool is tevens de grootste operationele kostenpost, een kleine vijftigduizend euro op jaarbasis.

Top van Nederland
Volgens projectleider Schok behoort de TU/e wat videocollege betreft tot de top van Nederland. Dat heeft niet alleen met de apparatuur te maken, maar vooral met de opzet en de financiering. In tegenstelling tot bij veel andere universiteiten is de financiering van videocollege hier centraal geregeld. Wat wil zeggen dat een docent geen zak met geld hoeft mee te nemen om een college te laten vastleggen. Ook is de opzet campusbreed; het zijn geen lokale initiatieven. Dat bevordert volgens Schok de acceptatie, omdat het voor alle faculteiten hetzelfde eruit ziet en functioneert.
En de toekomst? Schok verwacht wel groei, maar het is volgens hem zeker niet de bedoeling alle colleges op te gaan nemen. “Het moet wel een meerwaarde hebben. Anders wordt het opnemen om het opnemen.” Momenteel wordt zo’n vier procent van alle colleges opgenomen, schat de projectleider, en daarmee is de apparatuur voor ongeveer vijftig procent bezet.
In W-hoog is videocollege met open armen ontvangen. Zo zeer zelfs dat vanaf deze week in de grote collegezaal in dat gebouw ook vaste opnameapparatuur staat en draait, gefinancierd door de faculteiten Werktuigbouwkunde en Biomedische Technologie. Uit evaluaties van een aantal pilots blijkt volgens opleidingsdirecteur Werktuigbouwkunde dr.ir. Bram de Kraker dat de vraag naar videocollege vanuit studenten ‘gigantisch’ is. Enigszins tot zijn verbazing reageren zelfs docenten ‘uitermate positief’. Die kunnen door videocollege eens rustig naar zichzelf kijken, hoe ze het eigenlijk doen voor de zaal. En daarnaast kunnen ze kijken naar collega’s, om te zien of ze daar nog iets van kunnen oppikken.
De faculteiten in W-hoog wilden dan ook de ruimte hebben om meer met videocollege te werken, meer in ieder geval dan alleen in het Auditorium. Wat niet wil zeggen dat ze nu blindelings alles gaan opnemen. “Het moet wel een meerwaarde hebben op gebied van vernieuwing en creativiteit”, vindt ook een enthousiaste De Kraker.

Op zijn kop
Misschien gaat zelfs de hele onderwijswereld op zijn kop. Jan Friso Groote, opleidingsdirecteur Informatica, schetst een beeld dat zomaar ineens werkelijkheid zou kunnen worden. Een eerste hint: afgelopen semester volgden studenten van de Rijksuniversiteit Groningen het vak Web Information Systems. Van de TU/e, via videocollege. Groningen had namelijk niet genoeg docenten beschikbaar en betaalde de TU/e om het vak, dat toch al opgenomen was voor eigen gebruik, te verzorgen. Een goedkope oplossing, want het kost veel minder dan het inzetten of over laten komen van een docent. Wat Groote brengt tot de volgende vraag: “Waarom zouden we niet al onze colleges te koop aanbieden?”.
Maar de grote winst zit volgens hem in specialisatie en efficiëntieverhoging. In plaats van een vak als Warmteleer op vier of vijf plaatsen in Nederland te geven, is het beter om op slechts één universiteit echt de colleges te geven. Namelijk op de plek waar de beste capaciteitsgroep en docenten zitten. De andere universiteiten volgen het dan via videocollege. Daarbij blijft oefenen met studenten in werk- of instructiecolleges natuurlijk wel nodig, op alle locaties. Maar de totaalsom van uren die in het vak wordt gestoken over heel Nederland is lager, en de kwaliteit waarschijnlijk hoger. “Door deze betere taakverdeling kun je meer tijd aan een vak besteden, en verhoogt de kwaliteit”, illustreert de opleidingsdirecteur. “En je houdt meer tijd voor onderzoek over. Wil je over tien jaar nog steeds voorop lopen, en de meeste courante kennis aanbieden, dan moeten je medewerkers meedoen in het beste onderzoek. Dat kan alleen als je er tijd voor hebt.”
Er zit overigens wel een risico aan, onderstreept Groote. Klassieke colleges reiken de stof in behapbare brokken aan. En videocollege zou kunnen leiden tot dusdanig uitstelgedrag bij een bepaalde groep studenten, dat ze buiten de boot vallen. Wat Groote betreft moet hier van tevoren rekening mee gehouden worden.

In het toekomstbeeld van de opleidingsdirecteur Informatica ontstaan als het ware grote, virtuele Nederlandse faculteiten, althans wat het onderwijs betreft. Of het echt zo ver komt, is natuurlijk onzeker. “Maar de ingrediënten voor een revolutie zijn er. Het is technisch mogelijk en het is goedkoper. Dat zijn in het algemeen belangrijke drivers.”/.